Skip to content
Julia Maria Keers

Julia Maria Keers

  • Miniserie: onzichtbaar ziek
    • Een dag in het leven van een long covid patiënt – Het Amsterdam UMC
    • Een dag in het leven van een long covid patiënt – Het Rariteitenkabinet
    • Een dag in het leven van een LC patiënt – Aangespoeld
    • Een dag in het leven van een long covid patiënt – Bloedonderzoek en verdwalen
    • Een dag in het leven van een long covid patiënt – When life gives you lemons, make lemonade
  • Interviews
    • Interview met Cody Hochstenbach over ‘Uitgewoond’ (Waarom het hoog tijd is voor een nieuwe woonpolitiek)
    • Interview met Anne Eekhout over haar roman ‘Mary’
    • Interview met Thomas Heerma van Voss over ‘Condities’
    • Interview met Philip Huff over zijn roman ‘Niemand in de stad’
    • Interview met Daan Borrel over ‘Soms is liefde dit’
    • Interview met Daan Heerma van Voss over ‘Noem het liefde’
    • Interview met Nina Polak over ‘Gebrek is een groot woord’
    • Interview met Franca Treur over ‘Hoor nu mijn stem’
  • Recensies
    • Brecht de Backer – Omdat ze leven
    • Lisa van Campenhout – ‘Anders, Beter’
    • Joris Luyendijk – ‘De zeven vinkjes’
    • Roxane van Iperen – ʻ’t Hooge Nestʼ
    • Daan Heerma van Voss – ‘De Bange Mens’
    • Nadav Vissel ‘Het Grote Niets’
    • Lize Spit ‘Ik ben er niet’
    • Tana French – Een Zondagskind
    • Leo Blokhuis – ‘Blauwe Zomer’
    • Maartje Wortel – Dennie is een star
    • Sally Rooney – Normale Mensen
    • Jonas Hassen Khemiri – De Papaclausule
    • Mareike Fallwickl – Donkergroen bijna zwart
    • Remco Campert en Kees van Kooten – Aanelkaar
    • Anne Eekhout – Nicolas en de verdwijning van de wereld
    • De Derde Generatie – brief van een Nederlands aan een Joods meisje.
    • Nina Polak – We zullen niet te pletter slaan
  • Literaire vragenvuren
    • Literair vragenvuur met Jonas Kooyman (de havermelkelite)
    • Literair vragenvuur met Marijn Baar
    • Literair vragenvuur met Lisa van Campenhout
    • Literair vragenvuur met Jente Jong
    • Literair vragenvuur met Alma Mathijsen
    • Literair vragenvuur met Anne Eekhout
    • Literair vragenvuur met Ineke Riem
    • Literair vragenvuur met Maya Walangah Aumaj
    • Literair vragenvuur met Shira Keller
    • Literair vragenvuur met Persis Bekkering
    • Literair vragenvuur met Natascha van Weezel
    • Literair vragenvuur met Steffy Roos du Maine
  • Julia’s
    • My Taylor top 10 of 2025 (let’s throw glitter in today’s face).
    • My 2024 in 24 (or maybe 28) Taylor Swift songs (with The Eras Tour in Amsterdam)
    • Een vrije zomerval (de zomer van 2023)
    • 2022: The Long Covid Diaries (was echt supergezellig met long covid)
    • Feminist Rant For The Weekend (over dancing with the birds en of de vrouw jou ook ziet zitten)
    • Levenslessen uit 2021: Je kunt burgerlijke ongehoorzaamheid ook op een positieve manier invullen
    • Levenslessen uit 2021: Paris, Père Lachaise, Prullen voor Proust
    • Levenslessen uit 2021: De huizenmarkt in Amsterdam = exhausting
    • Levenslessen uit 2021: Het Denken Doordacht
    • Levenslessen uit 2021: in Sonsbeek verdwalen
    • 2020: Covid-19
    • 2020: Lockdown Life
    • 2020: Papa & Pitout (workin from AM to PM)
    • 2020: Into The Woods (Yoga)
    • 2020: Samenwonen
  • English Poetry
    • Downtime
    • Cuppa Tea
    • The Old Bookshop and Phoebe
    • Goodbye to the Nineties
    • Summer Could Save Me
    • Getting Married / Vampire on my porch
    • Mending Me / Vampires in my city
    • Mistreated / Vampire at my door
    • Louvain
    • Long Covid Recovery
    • The Old Willow
  • Over mij

Een vrije zomerval (de zomer van 2023)

By Juliamariakeers5 mei 2026Julia's

Mijn boekhandelgraf

Ik houd van de zomers waarin ik fris uit de douche alleen maar jurkjes aan hoef te gooien en zo mijn ballerina’s in kan glippen, terwijl mijn gewassen haar vanzelf in de zon droogt. Ik ontdooi van de warmte op mijn huid, die de reuma in mijn gewrichten wegsmelt, waardoor alles in mijn lichaam weer stroomt zoals vanouds.

Sinds de aanvang van mijn sluimerende chronische ziekte zit ik tijdens de winters meestal gefossiliseerd en gevangen in een diepe winterslaap, alles is driedubbel zwaar en vermoeiend. Aan het begin van de lente ontwaak ik als een victoriaanse vampier die ergens een eeuw in een muur ingemetseld heeft gezeten, zichzelf uit haar tombe heeft gestort en hoestend met haar ellebogen onder een dikke laag stof vandaan is gekropen. Als de zon definitief doorbreekt kan ik eindelijk weer kristalheldere gedachten achter mijn slapen vormen en overeind komen. Plotseling blijk ik weer een gezond en gestroomlijnd geheel te zijn met kneedbare spieren, soepele gewrichten en vers bloed dat door mijn aderen stroomt.

Omdat ik inmiddels weer uit mijn winterslaap ontwaakt dribbel ik door een rommelig centrum met een buxus onder mijn arm. Ooit was ik een slanke, analytische en ambitieuze twintiger met sluik blond haar, een Honoursprogramma en veerkracht, nu ben ik zo’n zielige dertiger met een vetlaag op haar heupen, uitgedroogde handen en frizzy hair. Desondanks snuffel ik door de planten, tussen de verveelde vrouwen met kekke kapsels en neon gekleurde gelnagels, tot ik tenslotte mijn nieuwe buxus heb gevonden.

Sinds een paar maanden zitten mijn vriend en ik verstopt in Baarn, een klein en schaduwrijk boerendorp diep in de provincie Utrecht (vergeleken met plekken als Doorn en Amerongen aan de minder betoverende kant), gelegen in een bosrijke omgeving (bij prinses Beatrix). Het wordt ook wel het groene graf genoemd omdat zoveel Amsterdammers er vroeger naartoe vertrokken om te sterven. Baarn oefende op de voormalige welgestelde Amsterdammers een enorme aantrekkingskracht uit, met de fluweelmossige belofte om er met rust te worden gelaten, en ze lieten zich verleiden om er hun buitenverblijven te bouwen en er hun resterende dagen te slijten. De landhuizen die er liggen stralen deze wel-thuis-maar-niet-thuis sfeer nog steeds uit. Bruisend is het alleen op de veranda van het omgebouwde station, wat nu een eethuis met Art deco aan de muren is geworden, de rest is uitgestorven. Mijn kapper vertelde dat één van de Efteling-gevormde landhuizen zo’n spookachtig schijnsel had gekregen omdat de voormalige eigenaar (opgenomen in een verpleegtehuis) het nog niet wilde verkopen. Reden? Zijn kat woonde er nog.

Hoewel dit allemaal niet bepaald klinkt als the place to be voor de gemiddelde millennial, genoten mijn vriend en ik ervan om in de weekenden, toen we nog op een versleten verdieping in het centrum van Utrecht woonden, van de Utrechtse Heuvelrug af te dalen. Tijdens onze tijd in Naarden-Vesting hadden we bovendien wel appartementen bezichtigd in het centrum van Bussum, maar we waren niet de enige kandidaten, dus het werd uiteindelijk een appartement in het centrum van Baarn. Qua afstand tot mijn ouders in Blaricum maakte dat weinig uit (mijn moeder en ik kiezen ervoor om de wakkere dijk van Eemnes af te rijden, langs de paarden, de verdwaalde groepen kippen op de weg en de verzonken theetuin aan het einde, mijn vader en mijn vriend verkiezen de snelweg).

In de Vesting woonde ik tussen de deeltijd Amsterdammers, in Baarn blijk ik tussen een hoop Amsterdammers van weleer te wonen, die oud en gerimpeld onderuitgezakt op klapstoeltjes hangen en druk met elkaar in gesprek zijn. Het doet me in zekere zin wel goed om tussen oudere vrouwen te wandelen die net zo hartstochtelijk mopperen als mijn oma. Soms staar ik met heimwee naar de luidruchtige en humeurige Amsterdammers die vermoeid van de artrose voorbij strompelen. Als ik langs de etalages wandel met de buxus onder mijn arm terwijl het geroezemoes uit de koffietentjes klinkt en kinderen slenterend tegen hun moeders babbelen, voel ik me tevreden. Ik ben tevreden met een nieuwe plant op een manier waarop je alleen als dertiger tevreden met een nieuwe plant kunt zijn.

Tijdens de zomeravonden zitten mijn ouders driftig naast elkaar te kletsen met koffie en mini-magnums, een extreem verslavende combinatie. Omdat het appartement balkonloos is hebben we de ouderwetse schuifdeuren wagenwijd opengezet voor verkoeling. Mijn vriend hangt oververhit maar zongebronsd naast me op de bank met zijn lichtgevende blauwe ogen. Mijn moeder toont de laatste tijd broos, als je haar postuur ziet denk je dat ze uit elkaar valt als je naar haar blaast, maar zodra ze haar mond opendoet besef je dat ze iedereen nog steeds moeiteloos kan parkeren. Ze wordt bovendien niet grijs maar een soort House Targaryen zilverblond. Wie mijn moeder heeft meegemaakt weet dat dit bij haar past. En ondanks dat ze altijd verzucht dat ze geen humor heeft, zijn het vaak haar scherpe en trefzekere uitspraken waardoor we moeten lachen.

De boekhandel zit onder ons in een prachtig pand en ik mag er meteen beginnen, maar de sfeer in het boerendorp blijkt een beetje vreemd. Ogenschijnlijk lijkt de boekwinkel knus, warm en romantisch: er is een mooi en zorgvuldig geselecteerd assortiment van boeken, er zit een duidelijke structuur in de dag en mijn baas is direct en komisch (stopt boek met Hitler op de cover weer in de kast: “Ik hoef niet de hele dag tegen dit hoofd aan te kijken”). Ik lees er recensies in de kranten aan een statige tafel, rommel bij de literaire merch (voor mijn moeder scoor ik een Hedwig) en sta achter brede toonbanken. Verder breng ik veel tijd door in de thrillerhoek, omdat ik die dankzij de schrijfster Esther Verhoef beschouw als mijn safe space. Het bovenstaande is allemaal prettig.

Van de klanten in Baarn moet ik even bijkomen. Ze gedragen zich als een stelletje claimende, omhooggevallen en zogenaamde kakkers die het presteren om met venijnige blikken binnen te komen en me aan te staren alsof ik ze in een vorig leven van alles heb misdaan, zonder dat ik nog maar iets behalve goedemorgen heb gezegd. Ik heb nooit eerder in mijn leven geen fijn klantencontact gehad. Hun schrapende stemmen, gevuld met ongevraagd commentaar, klinken als krijt en nagels op schoolborden. Ze menen overal recht op te hebben en denken dat ik zoals Hermelien Griffel binnen één seconde een complete bestelling tevoorschijn kan toveren. Of ze vallen met grote spoed voor een specifiek boek binnen als verjaardagscadeautje en worden boos als het is uitverkocht. Alsof je een verjaardag niet kan zien aankomen.

Het boekenassortiment van de boekhandel is in één woord weldadig, maar de verwendheid van de klanten vliegt me al vrij snel naar de keel. Mijn collega’s zijn dit gedrag volledig gewend, maar de verongelijkte sfeer die sommige klanten uitwasemen (“Vroeger verkochten jullie nog wel VVV- bonnen”: kijkt mij aan alsof ik zweepslagen verdien) is nogal penetrant. Verder vertelde mijn baas me opgetogen dat ik in een warm vrouwenteam terecht zou komen, maar helaas, het is alsof iemand Duitse herders heeft gekruist met poedels. Ik kan me niet herinneren dat ik mezelf ooit op een dagelijkse basis door zoveel onzichtbaar sluimerende lagen passief-agressieve energiestromen heb bewogen terwijl ik kopjes brandnetelthee bracht (mijn vader komt uit een katholiek gezin van veertien die de kunst van het vechten verstaan, maar als ik zenuwachtig ben gaat mijn stem twee octaven omhoog).

Ik begin iedere ochtend met frisse moed; ik babbel met de PR-medewerkers van uitgeverijen, ik verwerk online bestellingen, ik vis boeken uit de kast, ik adviseer cadeautjes en ik breng kopjes thee rond. Als klanten aan me vragen of ik de stickers wel van de boeken heb gehaald en met struisvogel nekken over de toonbank hangen laat ik ze braaf de afgepulkte stickers zien, maar tussendoor gaat er altijd wel iets mis, wilde een klant toch eigenlijk iets anders, is er een boek niet meer te vinden (in Oud-Zuid zijn een deftige dame ooit: “Een boek over postmoderne kunst dat is verdwenen? Daar doe je niks aan kind.”) of krijg ik op mijn kop omdat ik geen zakje heb meegegeven aan een klant die mij op mijn kop gaf omdat ik hem wel een zakje wilde meegeven, of een collega moet iets van mij weer rechttrekken omdat ik door een zelfverzekerde klant bent gemanipuleerd. Tegen het aan het einde van de dag het gevoel dat ik ondanks de gloednieuwe boeken geen steek verder ben gekomen en plat met mijn gezicht op de vloer wil vallen.

Ik ben een paspop die hapert, met glitches en bugs in haar systeem. Soms word ik nog steeds overvallen door een mist waarin ik vergeet wie, wat, wanneer, waarom ik ben en sta ik een beetje appelig te kijken. Een collega werpt me een vragende blik. Ik begin te begrijpen dat het voor een boekverkoper die de hele dag op zijn benen staat noodzakelijk is om fit te zijn, maar dat ik dit met mijn gaargekookte gewrichten, mijn watermeloen hoofd en mijn tochtige long-covid hartruisje dat een soort van here to stay bleek, echt niet meer ben. Mijn ogen staan op steeltjes en mijn lichaam voelt tegen de middag als slakkenblubber. Ik sta duizelig te luisteren naar klanten die drama’s schoppen omdat hun boekenbon geen saldo meer heeft of omdat we bepaalde kaarten tien jaar geleden voor het laatst in het assortiment hadden. Dingen waar ik eerlijk gezegd verder ook weinig aan kan doen. Als ik weer een beetje ben bijgekomen begint het allemaal opnieuw en heb ik het gevoel dat ik een paspop ben die eindeloos tekortschiet.

Mijn langzaam wegslijtende long-covid is een soort constante metgezel. Mijn tochtige stationshal hartruis houdt me trouw gezelschap als ik het koffiezetapparaat aanzet en is er inmiddels meer dan twee jaar. Ik voel me vermoeid, heb last van grieperigheid en een pijnlijke gaarheid in mijn spieren, die na mijn werkdag altijd gezellig met mijn gewrichten samen nasmeulen. Mijn bewustzijn is voor de helft weggespoeld van de vermoeidheid, gedachten vliegen rond als losse pluis en ik weet niet precies meer wat ontspanning is, omdat dingen met spanning zoveel inspanning vergen, dat ontspanning gelijk staat aan jezelf slecht voelen. Het woekert er zo tergend traag uit dat de tandarts meedeelt dat mijn glazuur van de ladingen citrusvruchten is gebarsten. Ik trek mijn tuttige gestreepte jurken aan, ik verkoop boeken vers van de pers en ik blijf opgeruimd naar klanten toe, maar ik kom iedere dag dichter bij mijn boekhandelgraf terecht.

Mijn doel als boekverkoper zou je kunnen samenvatten als de geletterdheid van mensen vergroten en de liefde voor literatuur stimuleren. De weerbarstige praktijk is dat ik meerdere malen aan mijn collega’s heb gevraagd of ze me verder zouden willen inwerken en het gesprek met me zouden willen blijven aangaan, wat ze me met bezwerende stemmen hebben beloofd, maar ze doen het lekker niet. Ze benadrukken dat het ‘vanzelf zal komen als de tijd daar is’, waardoor ik bovengemiddeld veel boeken sta recht te trekken en nog een rondje maak om ze nog rechter te trekken. Het leidt in de pauze tot een clash met mijn moeder, met wie ik sinds mijn afstuderen dertig ruzies verder ben over een traineeship bij de gemeente Amsterdam. “Papa vindt dit ook niks!” voegt ze snel toe voordat ik de verbinding verbreek (Hoe ik als chronisch ziek patiënt nooit bij het UWV verscheen: papa vond het niks). Een collega maakt mijn dag verder af door me tijdens het inruimen van de boeken op haar gebruikelijke kleuterjuftoon aan me uit te leggen wie Natascha van Weezel is. De tunnel met het toekomstbeeld waarin ik boekwinkels zie begint steeds kleiner te worden.

Dat de situatie niet houdbaar is, neemt niet weg dat ik houd van de begeestering, geschiedenis en de sfeer van deze boekhandel. Ik vind het prettig wanneer mijn baas werkt zodat ik me minder buitengesloten voel, achter haar aan kan drentelen en verhalen los kan peuteren over haar bruiloft, over haar dochters en over het platenlabel waar ze in haar jonge jaren heeft gewerkt, voordat ze boekhandelaar werd. Ik houd er ook van als het zo druk is dat ik mijn post-covid nagenoeg niet meer kan voelen omdat ik in een stroomversnelling boeken sta in te pakken. Bovendien zijn er ook vriendelijke klanten, zoals een vrouw met wie ik begeesterd in gesprek raak over ‘T Hooge Nest en die een vriendin van Roxane van Iperen blijkt te zijn, jonge vrouwen die aangeven meer te willen lezen en trotse grootvaders die boeken komen uitzoeken voor hun kleindochters. Ook de burgemeester van Baarn pikt “Bent u belangrijk ofzo?” goed op. Mannen die thrillers als cadeautje willen geven vinden altijd dat ik de thriller moet kiezen. Vervolgens vragen ze aan mij of ik het zeker weet, zodat zij kunnen zeggen dat ik het zeker wist.

Een paar weken lijkt het zelfs beter te gaan: ik kan plotseling weer goed ruiken en proeven, ik ben iets energieker, mijn lichaam voelt steviger en mijn hart is rustiger. Dat er een vreemde pit in mijn buik zit neem ik op de koop toe. Mijn borsten groeien. Mijn borsten groeien? Nog voordat ik de moed heb verzameld om een zwangerschapstest in huis te halen eindig ik in het toilet op alle vier. Als ik mijn ogen open vang ik een glimp van iets op, ik zie dat de tijd helemaal niet lineair is, maar bestaat uit duizenden zich tegelijkertijd afspelende polaroids. Een paar seconden begrijp ik hoe intrinsiek alles met elkaar is verweven, een soort duizelingwekkend besef – daarna raak ik bedremmeld van een gigantische hoeveelheid bloed, is mijn hoofd zwartgeblakerd en voelt een stukje van mijn ziel verkoold. Op de één of andere manier heb ik het niet in me om te zeggen: ik ben ziek en ga nu naar huis. In de paar weken die erop volgen trek ik onbestemd toe naar de horror van Thomas Olde Heuvelt. Een collega van mijn vriend (die matchende Brontë-sister jurken met haar zusje draagt, exasperated is geraakt van haar eigen hoge intelligentie en graag praatjes geeft over neurodiversiteit) adviseert de Duitse Netflix-serie Dark.

Volgens mijn baas ben ik lief en zachtmoedig, maar het is niet wat ze voor haar winkel zoekt. Ik ben eigenlijk helemaal niet wat ze zoekt. Ze klinkt alsof ze had gehoopt op een stevige Hermelien Griffel maar in plaats daarvan een Hailey Bieber in huis heeft gehaald. Ze heeft meer snelheid, schwung en assertiviteit van mij nodig. Ik vind het lastig is om die te geven. En ik vermoed dat Hailey Bieber wordt onderschat.

Dat mijn voormalige collega’s, die de kunst van het passief-agressief zijn prima verstonden, zich ontzettend opgelaten gedragen als ik ze tegenkom, demonstratief angstig alsof ik boven ze zal gaan stampen als een Madwoman in the Attic of uit de kelder van de winkel zal klimmen als dat kind uit The Ring, de ultieme belichaming van The Return of the Repressed, vind ik van zo’n bedroevend niveau dat ik mijn moeder niet meer corrigeer als ze het smalend heeft over het kippenhok. Mijn vriend pulkt mijn baby Yoda van de winkelsleutel af en legt die in mijn hand terwijl ik mijn snuit in Hex heb gestoken. De witte madeliefjes die we een paar weken geleden hebben gehaald zijn genadeloos door de zon geroosterd, maar als je de verdorde kopjes afknipt, beginnen ze weer opnieuw.

Chronisch ziek

Wanneer ik op een avond in mijn eentje glazig naar buiten staar, terwijl er gedachten aanspoelen met de boodschap dat mijn chronische ziektes misschien niet meer overgaan, terwijl ik juist houd van actie in de tent en graag wil werken, voel ik een gewicht naast me landen. Mijn nerd. Ik wil eigenlijk zo graag Niet Ziek Zijn dat er volgens hem een kalme woede door ons appartement flakkert. Hij probeert met zijn handen een onzichtbare stroming te veranderen; ‘Je woede gaat steeds de verkeerde kant op.’ Ik blaas mijn wangen op. ‘Op mij kun je wel boos worden’ zegt hij vrolijk. Daaraan voegt hij toe: ‘Je kunt wél assertief zijn.’ Ik staar tragisch naar zijn liefdevolle snoet met de kleine, subtiele overbeet. Hij heeft zeker een punt, het klopt dat ik assertief kan zijn. Misschien zou ik zelfs kwaad kunnen worden op Taylor Swift als de gelegenheid zich voordeed. De enige verbindende factor tussen de mensen op wie ik wel kwaad kan worden is dat ze allemaal een lichte overbeet met volle lippen hebben zoals mijn eerste verzorgers, bekend als mijn drukke en begeesterde ouders. Die gun ik blijkbaar een Daenerys-Stormborn-achtige stemmingen waar ze niet om hebben gevraagd. Er zijn verschillende slachtoffers gemaakt, allemaal hebben ze een mooie mond.

Op een avond als mijn vriend en ik ijs hebben gehaald en op het bankje voor ons huis zitten krijg ik wel een ondeugend idee. Mijn ex-collega’s verklaarden dat zij met hun haviksogen altijd alles zagen, dus ik smeer de restanten van mijn aardbeienijs op de buitenkant van de boekwinkel en ben benieuwd hoelang het er blijft zitten. De eerste week ben ik een beetje verbaasd. Heel voorbij slenterend Baarn staart met gemengde gevoelens naar de vaginale roze plek die ik op de hoek van het diepgroen heb gemaakt en schittert in het zonlicht. Het smelt en stolt in het verloop van de dag. Ik wil het kunstwerk groter maken met frambozenijs zodat ik er de suggestie van baarmoederplak omheen kan smeren. “You want crazy? I can show you crazy” grapt mijn vriend geamuseerd vanaf het bankje terwijl hij lepelt in zijn bakje. Waar ik me alles altijd aantrek is bro soms indrukwekkend en spectacularly unbothered. “Mag ik ook wat van jouw pistache? I’m going rogue” zeg ik.

“Hoe lang zit het er nu?” vraagt Thomas. “Vier weken” typ ik. “Mijn hemel” schrijft Thomas vrolijk (als mijn moeder in de smiezen krijgt dat Thomas en ik zitten te klieren als een stelletje muppets herinnert ze me aan zijn volledige dubbele achternaam) (aan mij vraagt ze of ik me niet zou willen gedragen als een karakter van Annie M.G. Schmidt). Het lachen is me snel vergaan als er verschillende kapitaalkrachtige figuren bij ons over de vloer komen om te bedenken of ze de boekwinkel met het bijgaande Jugendstil pand willen overnemen. Zonder de boekwinkel, het zwembad en de ijssalon weet ik ook niet wat er van Baarn overblijft. Misschien de gigantische Blokker? Nee, die waarschijnlijk ook niet. Er staan al veel panden leeg. Het geluid van de kerkklok in de uitgestorven winkelstraat geeft me altijd onrust, benadrukt tijdverspilling.

Mijn verhuurder is niet onvriendelijk maar verschuift de deadlines die we voor de verduidelijking hebben afgesproken steeds verder naar de toekomst. Mijn voormalige baas zit in hetzelfde schuitje. Als ik haar beneden tref zegt ze: “Zoals de wind waait staat zijn rokje” en krijg ik een giechelbui. Ik zou de verkoop van het pand kunnen afwachten, maar de lange, knappe en gespierde gozer met wie ik leef krijgt er maar opvliegers van. Een pandjesbaas wiens rokje waait zoals de wind staat, die het zelf ook allemaal nog niet weet, zal ons niet van een duurzaam MJOP voorzien. Eigenlijk gewoon niet van een MJOP of de zekerheid van een dak boven ons hoofd. Het vertrouwen van huurders komt te voet en gaat te paard. Soms sta ik ’s avonds, als de winkelstraat leeg is en de witte labrador van de overkant terug naar huis is gesukkeld, met mijn snuit tegen de winkelruit het portret van Emily Dickinson aan te staren. I am out with lanterns, looking for myself.

De volgende dag gooi ik weer een OV-fiets neer in Naarden-Vesting. Vanaf het moment dat ik mijn oude woonplek binnen kom fietsen, de vertrouwde geur opsnuif en de uitgedroogde dikke basten van de bomen bij de gigantische kerk zie waar ieder jaar de Matthäus Passion wordt gehouden (je zit in de praktijk nogal krap), voel ik weer een vertrouwde kracht naar de wereld toe. Ik ben gek op de middeleeuwse stenen, op de robuustheid vermengd met knusheid en het gevoel dat ik er gewoon mezelf kan zijn. Ik zink in een groene jurk met mijn Shakespeare & Company tas op het terras bij de Coffee Culture, naast de vertrouwde stroom glanzende auto’s die me al jaren wezenloos irriteren. Hartstochtelijk mopperen op de auto’s in de Marktstraat en hoe die eigenlijk autovrij zou moeten worden gemaakt, maar hoe het waarschijnlijk toch nooit zal veranderen, de gemeente heeft het er het lef niet voor, het is allemaal doodzonde, mensen blijven er te hard rijden, gevaarlijk en nergens voor nodig, de helft gebruikt het toch alleen maar om af te snijden, de andere helft om te worden gezien, het komt de Vesting verder niet ten goede, is een vertrouwd thema op het gezamenlijke moodboard met mijn vader. Het past bij de stemming Bitchin’.

Zodra ik zit lopen de tranen over mijn wangen, kluif ik negen van mijn tien nagels af en moeten de Ferrari’s opzij voor mij. Ik vraag bij de Coffee Culture of ik geen laatst bestelling bij ze kan plaatsen vanuit mijn stoel. Officieel ben ik een drieëndertigjarige die in haar tas rommelt, verweerde benen heeft en haar handen door de tijd heeft zien verslijten, terwijl ik vluchtige contacten die ik de afgelopen jaren heb opgebouwd (maar met wie de gesprekken zijn verstomd) weer verwijder uit mijn telefoon. Thuisgekomen op deze eeuwenoude plek verander ik terug in een klein meisje met blauwe plekken, rafelrandjes en littekens van de muggenbulten. De buitenwereld valt van me af en er ligt een dikke opgedroogde slangenhuid naast me.

De vernedering zou natuurlijk niet compleet zijn zonder dat de snuit van mijn eerste liefde op dat moment verschijnt, die de afgelopen twee jaar op onbewaakte momenten een breed scala aan blikken op me heeft geworpen, met als grondtoon een verstilde woede, en de aanhoudende neiging om samenzweerderig met zijn Tante Tietloos spottende en valse opmerkingen te maken, dus ik zet mezelf schrap – maar zijn blik is bezorgd. Vandaag staat hij even niet in de mallotige oorlogsmodus die hem blijkbaar bezielt. Ik knijp mijn ogen waarschuwend samen met de neiging om mijn hoektanden te ontbloten tot hij voorbij is, maar rommel dan weer verder in mijn tas.

Ik strek mijn benen voor de zonovergoten kerk uit met een intens verlangen naar een sigaret (heb ik niet, tas zit vol met meegesmokkelde theezakjes, pepermuntjes en bic pennen) (de bic pennen zijn een tic die ik van Bolkestein heb overgenomen in Oud-Zuid) en het verlangen om te schreeuwen dat ik doodmoe ben van forever moe zijn. Wat ik eigenlijk wil is in een inktzwart jurkje op blote voeten te sterke koffie drinken en de rook uitblazen. En ik wil zwartgeblakerde stukjes ziel vonken terwijl ik lange zinnen in elkaar weef omdat mijn vader me zo nodig ladingen symfonische rock moest laten horen voordat ik geboren werd (hij werkte toen nog bij Sony), iets waar mijn vrienden tot op de dag van vandaag geen moeite mee hebben omdat ze het gewend zijn.

De buitenwereld zit vol gestapeld met ruis en roadbloacks waar ik als dertiger schoon genoeg van heb. Als twintiger heb ik mezelf gevoegd, geflexed geframed, geshaped, gevormd en gepast, om negen van de tien keer uiteindelijk toch teleurgesteld te raken. Dat was een frustrerende en kwetsende exercitie, dus ik verdwijn maar weer liever in één grotereumastofwolk van lange wandelingen, rockcomposities en studentikoze chaos, of iets in die geest. Mijn baas en ik tikken wat berichten heen en weer. De stemming is een beetje thanks love you bye. We hebben geen zin in gedoe. Als Arthur Japin bij de boekwinkel langskomt wil ik toch weer naar binnen. Bij boekwinkels blijf ik een kat: ik wil naar buiten en ik wil weer naar binnen.

Mijn longcovidreumapeut draagt een satijn blauwe jurk, we zitten met mokken thee in haar kantoor van de huisartsenpraktijk. Haar kamer geeft uitzicht op de strakblauwe lucht en de huizen met de gloednieuwe dakkapellen die naast de praktijk in aanbouw zijn. Ze heeft met potlood een cirkel gemaakt op het papier, om de cirkel zit nog een soort cirkel en in die cirkel zitten verschillende punten. Ze wijst op de cirkel in de cirkel; in de buitenwereld ben ik volgens mijn longcovidreumapeut vrolijk, voorkomend en vriendelijk, maar dat is een stevige schil die ik heb opgebouwd uit zelfbescherming. In mijn binnenwereld – als ik bij mijn ouders in de tuin zit, bij mijn vader zijn essays van Grunberg, zijn geïmproviseerde vogelhuis, zijn zelfgebouwde mini-waterval van boomschors, zijn drogende Perzische tapijten en zijn Bijenhub (mijn moeder wordt regelmatig aangevlogen terwijl ik haar aan de telefoon heb) – drop ik de pretenties die als een vanzelfsprekende tweede huid voelen, en ben ik in navolging van mijn tantes Back To Black. Ik moet mezelf verwarmen om mijn chronische ziekt het hoofd te bieden, dus ik schuil niet veilig onder een parasol, ingesmeerd met een zonnebrandcreme en een voetenbadje, maar stap met een cappuccino in de volle zon om mezelf te laten opvlammen.

Thuis waar we kersensap drinken en de essays van George Orwell lezen, thuis waar mijn moeder verklaart dat ze gaat scheiden omdat mijn vader de blauwe regen heeft misvormd, thuis waar Juliette (van wie ik weet dat ze stiekem een Sophia is) me tijdens de schemering belt om hoopvol te vragen of ik zin heb om een ijsje bij de Hoop te halen. Thuis waar de boeken van Philoso P de schilderachtige sfeer beschrijven waarin ik ben opgegroeid, thuis bij de rustgevende bossen waarin Robin aan het sporten is en thuis waar ik op onze whippet Bliss pas, die tegenwoordig niet meer tegen mijn moeder blaft maar gaat gillen als mijn ouders er een dagje op uit zijn geweest. Mijn moeders verklaring met een zuidelijk, gedragen Connie P accent: ‘Zij kan het niet helpen, zij is nu een oude vrouw’.

Mijn longcovidpeut vraagt bij iedere sessie hoe het ervoor staat met mijn chronische clusterfuck acceptatie, omdat ik mezelf vrij lang heb voorgespiegeld dat ik op een dag wel weer beter ben (de details heb ik nog niet duidelijk). Er zitten ook goede en energieke dagen tussen die ik dankbaar koester. Ik stel mezelf altijd voor dat ik mijn chronische ziektes op een dag verslagen zal hebben, op een wonderbaarlijke wijze helemaal zal zijn opgeknapt. Deze dubbele houding heb ik al jaren. De tijd is aangebroken om onder ogen te komen dat ik voorlopig nog even vastzit aan een mysterieuze inflammatie die de artsen verder niet kunnen uitleggen, waar voorlopig nog geen remedie tegen bestaat.

’S middags komen mijn moeder en Bliss samen naar de Vesting toe. Mijn moeder is ambtelijk secretaris geworden bij de gemeente Amsterdam en hangt in een mooi colbertje naast me met een houding en een blik die ik vagelijk herken van Connie P. Ik vind dit een verbetering vergeleken met de vlijmscherpe More Wine Cersei Lannister stemmingen die er ook zijn. Het duurt even voordat ik begrijp dat dit onderuitgezakte hangen, wat ik niet zo vaak bij mijn moeder zie, een vorm van tevredenheid is. Als ik terugkoppeling aan mijn moeder geef over het behoorlijk geprivilegieerde gedrag van de klanten zegt ze opgewekt: “Wat een stelletje gestoorde uien”. We bestellen latte macchiato’s bij een duffe jongen in een metal shirt die een beetje sloom overkomt, maar die mijn moeder meteen grappig vindt. Ze kreeg op haar vorige afdeling al snel een nest van ploeterende millennials en gedesoriënteerde expats onder haar hoede voor wie ze van alles ging regelen. Ze zweeft in haar Palmensiaanse sferen, veert monter op en zegt: ‘Ach, Mensen’.

Ik weet niet zeker of ik het mezelf verbeeld of een zongebruinde Ronit P met een glimlach in een glanzende sportwagen voorbij zie rijden. Wat me brengt bij Natascha W die schrijft dat ze veel aan me denkt. Ik voel weer kleine vonkjes knisperen omdat een boek dat ik van George Steiner bestelde meteen retour werd gestuurd met de boodschap dat geen levende ziel in Baarn hem zou lezen. Ik wist dat dan bestellen wij hem voor de doden geen gewaardeerd argument zou zijn.

Mijn moeder wil graag bakjes met chocolade ijs voor ons en een hoorntje met slagroom voor Bliss. We wandelen door de zomerse straten en wilde rozen in de Vesting. “Natascha laat zich niet uit het veld slaan” murmel ik met een lepel aardbeienijs in mijn mond. Bliss haar vacht lijkt in het zonlicht van vloeibaar goud en ze heeft slagroom op haar snuit. “Natascha is zo eigenzinnig” zegt mijn moeder met chocolade op haar mondhoeken. Bliss werpt me een liefkozende bruine blik. “Ja, dat is ook zo” murmel ik instemmend. Je hebt zwarte katten en je hebt zwarte panters. Ik wil bij de club van de zwarte panters, bij die van de mensen die hun eigen stem kennen, die hard werken en die hun grenzen goed bewaken. Ik ben daar nog niet, maar ik kan er nog komen.

Zomertijd

Op een nazomerse middag zitten Juliette en ik in grote tuinstoelen met onze benen omhoog boven frisse koppen muntthee met te grote zonnebrillen op zoals Lindsay Lohan in Dubai. Juliette zegt vanonder haar zomerhoed: ‘Ik wilde bij EY in het begin ook vast aan de slag in New York, maar inmiddels is bijna iedereen met wie ik daar ben begonnen naar een kleiner advocatenkantoor vertrokken.’ We staan digitaal in de wachtrij voor tickets van The Eras Tour en zakken langzaam van de 50.000ste plek naar beneden. Om het kwartier gaan we kijken terwijl haar zoon op zijn driewieler door de tuin slingert en haar kat Jason onder mijn tuinstoel ligt te spinnen. Jason was van haar oude overbuurvrouw in een villa, maar heeft een klap van de molen gehad omdat hij als kitten uit het raam viel en op zijn hoofd terecht kwam. Tijdens Juliette haar millennial-life-speech (Juliette begint soms te speechen) ligt hij rustig onder mijn tuinstoel opgerold. “Ik vind het niet leuk dat ik het bijltje er weer bij neer moet gooien” mopper ik. “Ja, maar ken je dertigers die wel succesvol zijn? Zeg maar zoals onze ouders dat waren?” vraagt Juliette. “Wie van ons is er niet in een ondersteunende functie terecht gekomen?” Er schiet me verder ook even niemand te binnen behalve de blonde boogschutter biljonair voor wie we VIP-tickets kopen. Zij houdt van ons en wij houden van haar, dus we strooien rozig met glitter op dit nieuwe postreligieuze vrouwen verzamelpunt.

Datzelfde weekend zitten we (van ambitieuze twintigers veranderd in vermoeide dertigers) samen bij een Italiaans restaurant op het Holleblok in Huizen, die ons door mijn vader is aangeraden met een lange reeks opgetogen kritiekpunten. Praktisch betekent dit dat we in een klein winkelcentrum bij een paar verdwaalde Italianen uit Amsterdam zitten in een pastazaak, die ik me nog goed herinner als onze voormalige groenteboer. Het is peperduur omdat ze de Amsterdamse tarieven hanteren. Van alle plekken waar je uit eten kunt, had ik niet gedacht dat ik ooit hier weer terecht zou komen. Op het Holleblok zaten de supermarkt, de drogist en de videotheek, de dierenwinkel, mijn basisschool, de naschoolse opvang en de muziekschool.

Mijn moeder en ik, jaren zeventig en jaren negentig, zijn beide behoorlijk ontevreden over de eindconclusies in onze basisschool rapporten maar vinden die van elkaar geweldig. In het rapport van mijn moeder staat: “Erna doet altijd erg haar best”. De tranen van het lachen lopen over mijn wangen als ze erover moppert: “Wat werd ik afgeserveerd. Ik vind het zo sneu voor mezelf. Schrijf dan meteen kneus op.” De eindconclusie in mijn basisschool rapport: “Julia kan eigenlijk meer” ligt bij mij niet goed (“Dit doet toch geen recht aan mijn geploeter?”) terwijl mijn moeder ervan gaat twinkelen.

Voor het eerst sinds jaren heb ik in het verlengde daarvan weer gesprekken met Michael – ik was Michael onderweg kwijt geraakt maar Timo heeft hem uit zijn telefoon opgeduikeld – en de ruis die ik heb opgebouwd is van mijn stem verdwenen. Michael was erg goed in gewoon Michael zijn. Ik vertel aan Juliette dat ik was vergeten hoeveel tijd ik heb doorgebracht met Michael; ’s nachts op tuinbanken kletsende over het wel of niet van grote steden, het wel of niet van porno, het wel of niet van een burgerlijk, volwassen leven. Veel nachtelijke reflecties vonden plaats met Michael, maar altijd op zo’n vanzelfsprekende manier dat ik er nooit echt bij stilstond. Zo bijzonder leek het in het moment zelf allemaal niet: we hingen op het schoolplein, op bed, op de bank, in de tuin, in speeltuinen, op tuinbanken voor verlaten pubs. Toch heb ik inmiddels begrepen dat ik het opgroeien met mensen niet voor een tweede keer kan doen. Dit was het.

De huidige Michael werkt als kok bij het Rosa Spierhuis en heeft een bijzondere voorkeur voor plekken waar je niet dood gevonden wil worden (“Heb je zelfs gegeten bij dat spookrestaurant op de Oostermeent?” Schitterende blik: “Zelfs daar gezeten” ”Hoe was dat?” Grote glimlach: “Niet te doen”) zoals een kneuterig koffietentje verstopt in een tuincentrum in Barneveld. Voor dat soort wilde adressen heeft Michael een goede neus. Ik stel hem voor dat we een reisgids kunnen schrijven met Places in The Netherlands Absolutely Not To Be. Hij benadrukt dat we daarvoor nog wat vlieguren moeten maken. “Je hebt leuke vrienden” zegt mijn vriend troostend als ik weer murw van het half zijn met hem door de bossen slenter. De bodem ligt met stervormige blaadjes bezaaid van de zomerstorm. De zon breekt langzaam door de wolken terwijl we hand in hand wandelen door de geruststellende, muskusachtige geur van de bomen.

Mijn longcovidpeut vraagt na de zomerstorm opnieuw hoe het ervoor staat met mijn longcovid acceptatie en spreekt uit dat het belangrijk is dat ik het chronisch ziek zijn omarm met een meer radicale acceptatie (of zoals Juliette het als arbeidsdeskundige samenvat: “Je wilt daarnaast ook nog een beetje een leuk leven hebben”). Mijn longcovidpeut herhaalt wat verschillende mensen me al eerder hebben verteld, of me hebben geprobeerd te verduidelijken; dat het belangrijk is om iets te doen wat goed bij me past. Ik luister naar mijn longcovidpeut als een dwarrelend blaadje in de storm. Ik begrijp dat ik de afgelopen tijd moet loslaten, omdat dan pas een nieuw hoofdstuk kan beginnen. Het verdriet borrelt nog in mijn buik als ik een berichtje in mijn inbox van een makelaar in Amsterdam met de vraag of ik op gesprek wil komen op de Prinsengracht. Ik staar verbaasd naar het spontane bericht van de voormalige werkgever van iemand met wie ik dit leven samen hartstochtelijk zingend ben begonnen.

Opa?

Mokum again

Ik mail naar de directie-secretaresse van de makelaar dat ik op gesprek kom en wandel een dag later door het hoogseizoen van Amsterdam, zoals gebruikelijk gevuld met rondvaartboten en toeristen. Eenmaal op de Leliegracht realiseer ik me dat deze stad altijd mijn thuis zal zijn. Het blijft gek dat mijn familie hier vandaan komt, want deze stad is van alles en iedereen. Het is groot, bruisend en druk, altijd in beweging, altijd onder constructie, altijd vol met slenterende bezoekers, slangenkuilen en dagjesmensen, maar in de complete chaos blijft het op een onverklaarbare manier toch vertrouwd. Ik wandel langs een paar grachtenpanden met weelderige rozenstruiken die tot boven mijn hoofd zijn gegroeid.

Hoewel ik net iets te laat, te bezweet en bij nader inzien in een te kort jurkje ben aangekomen bij het sollicitatiegesprek (mijn haar is ook te wild opgedroogd), ben ik aangenomen bij de makelaar en mag ik beginnen als notulist. De sfeer op het kantoor is uitnodigend en prettig. Voor het eerst sinds weken smaakt de koffie me weer goed. Voor de eerste vergadering ben ik overdag in Blaricum om op Bliss te passen. Ik besluit om de grimmigheid die in Baarn in me is getrokken van me af te douchen, een joggingbroek van mijn moeder aan te trekken en met een bakje verse kersen alvast de vergaderstukken van de VvE door te nemen. Bliss ligt met haar zwarte snoet in haar roze mand tevreden naar me te staren. Op een gegeven moment vertrekt ze naar mijn oude bed (inmiddels volledig haar bed) in de kantoorkamer van mijn moeder. Als ik haar boven kom knuffelen valt me op hoe grijs haar snuit en losjes haar vacht is geworden. Mijn moeder is altijd zuinig op haar spullen en houdt van subtiele details. Het Hedwig uiltje dat ik haar heb gegeven staat bij haar iMac, maar plotseling ruik ik heel sterk het parfum van oma. Ik weet niet waar de geur vandaan kom, maar ik staar in de kamer om me heen, voel een diep gemis en besef dat mijn moeder nog veel verdriet heeft.

Op een dagelijkse basis komt dit verdriet er uit in gemopper op papa, op mijn tante, op mij en op zeg maar de rest van Amsterdam (mijn vriend, geboren en getogen in Arnhem, heeft ze tijdens zijn glanzende ode aan Amsterdam als ‘de plek waar alles gebeurt’ uitgemaakt voor provinciaal – er is een familie hoofdstuk waar ik haar niet meer aan mag herinneren genaamd “Natuurhuisje in Winterswijk”) maar hier wordt het verdriet niet overschaduwd door boosheid: het is alleen maar puur verdriet. Oma nam mijn moeder als klein meisje mee naar de eerste Italiaanse koffiebar met espresso’s, ze gingen samen naar de poppendokter en ze maakten ruzie omdat mijn moeder haar krullen iedere ochtend stijl föhnde. Mijn tante verzucht nog regelmatig: een stier en een steenbok, ze waren goed aan elkaar gewaagd. Mijn moeder is sinds de dood van oma aan het werk voor de gemeente Amsterdam met een werkethos alsof haar leven er vanaf hangt. Haar energie gaat volledig op aan het begeleiden van de OC’s, maar haar energie krijgt ze ook van Amsterdam; in haar kantoor met haar schrijfblok, de laatste overgebleven spullen van oma en de zwarte whippetsnuit die bij haar op bed ligt.

Plotseling kan ik door een tijdlus-achtige vervorming een consciëntieus, zorgzaam, secuur, lief, toegewijd en grappig twaalfjarig meisje zien dat alles heel graag goed wil doen en zich altijd tegen een stevige, gestructureerde en koppige moeder heeft kunnen afzetten. Sinds we oma missen is ze volgens mij constant zoekende. Ik begrijp vagelijk achter mijn slapen dat ik tegen dat meisje moet zeggen: You’re on your own, kid. But you can face this. Als ik die avond weer een duik in de stad heb genomen en over het stationsplein in Zuid naar mijn eerste VvE vergadering wandel, voel ik me plotseling weer als een vis in het water. Alsof een geruststellende, beschermende koepel zich over me sluit die mijn zwaarmoedigheid buitensluit. Mijn voetstappen voelen lichter, mijn bewustzijn roziger, zelfs mijn ademhaling is gelijkmatiger. Ik wandel door mijn onderwaterwereld.

Een vrije zomerval


Ondanks dat het niet zo is blijft mijn moeder dapper volhouden dat zij als voormalige Amsterdammer goed kan gedijen in de rest van Nederland (mijn tante heeft die ambitie minder, ze kan prima met haar beste vriendin uit Rotterdam de dagjesmens uithangen als er Alpaca’s van de partij zijn, verder worden haar expedities samengevat met: “Er was niks, verderop was niks en daar verderop was ook niks. Het was leuk hoor, wat zal ik er verder over zeggen? Er was niks.”) en heeft (net als de rest van fancy schmancy 020) ergens in Twente een resort geprikt van comfortabele Twentenaren die ik heb omgedoopt tot de Up-Tuks. Als we er een weekend zijn en het gezelschap met alle geweld naar Duitsland wil wandelen (Juliette: dat willen ze bij mij ook altijd zodat mijn zus haar Duits kan oefenen maar dat kasteel is lelijk en meestal hang ik er maar een beetje bij appelig bij te kijken) ontwijk ik het verzoek (ook Bliss haar Duits is beter dan dat van mij en Bliss is een whippet maar ze verstaat het beter) en klauter ik op de dikke rand van het balkon met Geen vaarwel vandaag. Het nieuwe boek van Daan (mijn moeder noemt hem sinds zijn artikel over stelen een boef, bij mijn vader kan hij sinds zijn 5 mei-lezing niet meer stuk) begint met een vader die dood neervalt op het vliegveld – vanuit daar vliegen er wervelingen door alle leden van het gebroken gezin.

Het geluid aan de rand van Nederland bestaat uit een groep vredig grazende koeien (ik dacht vroeger altijd dat koeien een beetje sloom waren, maar soms zijn ze spoorloos verdwenen en plotseling staat de hele girlgang er weer, ze worden behoorlijk onderschat). Op dat moment weet ik nog niet dat het juist mijn weekend met die witte koeien samen is waardoor ik, nadat een witte koe die uit het slachthuis is gevlucht wordt neergeschoten, zal besluiten om op helemaal niks anders meer dan de Partij voor de Dieren te stemmen.

Als iedereen terug is zijn mijn moeder en de whippet opgetogen omdat ze zoveel mensen hebben gesproken. Ze zijn op drie verschillende plekken in de buurt geweest, hebben informatie van de locals verzamelt. “Gewoon leuk” zegt mijn moeder op zijn Ilse de Langes. “Gewoon leuk” kaats ik terug. “Maar was het leuk in Oldeheuvelt?” vraag ik. “Oldenzaal” verbetert mijn zwetende vriend, die niets liever wil dan zwemmen. “Het kasteel was lelijk” moppert mijn vader. “Spijtig” zeg ik glanzend van de zon, de gestroomlijnde zinnen van Geen vaarwel vandaag zijn in mijn weefsel bezig. De blaren op mijn voeten zijn prompt begonnen met genezen. Ik heb maar weer eens een beker thee met honing gezet. Dat stemt mijn moeder tevreden, de manier waarop ze me overlaadt met toastjes geeft aan dat woekerende storm tussen ons voorbij is getrokken. Papa wil binnen Max Verstappen kijken, ik ga met mijn vriend zwemmen. Sommige vrouwen uit Zuid zwemmen met hun make-up, al hun sieraden om en hun haar elegant in een klem. Ik kom weer uit het water met krullen. Mijn vriend schudt zichzelf uit als een hond. Mijn moeder staat eerst te kletsen met de koeien, later rookt ze om de hoek van het huisje een sigaar. De whippet ligt op het gras naar vliegen te happen. Als we ’s nachts last hebben van het gezoem van een mug vraagt mijn vriend of ik op wil staan om hem te vangen (aan het begin van ons samenzijn, toen hij ontdekte dat ik allergisch was voor muggen, stond hij altijd zelf op om ze plat te slaan). Ik lig met een strakke Nina Pierson ballet knot met mijn hoofd op het vederlichte kussen. “Doe het zelf” murmel ik slaapdronken. Ik ben geen gedienstige paspop meer.

Bij het bosbad in Baarn open ik mijn ogen en ik zie de strakblauwe lucht, omgeven door de diepgroene toppen van de sparren. Een meisje met geverfd haar, piercings en tatoeages, die veel wegheeft van een kleine walrus, verklaart luid en alwetend tegen haar vriendengroep dat mijn lavendel gekleurde badpak te strak zit: het is te hoog uitgesneden bij mijn liezen, zij zou dit zelf nóóit zo dragen. Mijn vriend werpt haar even een verbijsterde blik. Zij is mij genietend aan het recenseren terwijl haar eigen vetrollen er niet om liegen. Terwijl ze dit zegt staren de mensen om haar heen aandachtig naar mijn lichaam. Ik staar even terug als een awkward kameleon op een takje. Mijn vriend werpt een grijze boefjesblik achterom en ik weet dat hij een ongezouten opmerking inslikt. Ik voel me ongemakkelijk, dit badpak plet mijn borsten en mijn billen, mijn buik is plat – wéér niet goed. Mijn vriend daarentegen heeft soms Wolverine-achtige wenkbrauwen die door blijven groeien (dit past bij zijn liefde voor Paul van Loon) en waar hij gerust een paar weken mee kan rondlopen zonder dat iemand een kick geeft (meestal tot ik begin te proesten). We wandelen lachend op onze blote voeten over het uitgedroogde, gele gras naar het bosbad.

Misschien komt het allemaal toch nog wel goed
– denk ik voorzichtig, terwijl ik mijn Bonsai boompje water geef, die frisgroene blaadjes heeft gemaakt. De meeste Bonsai boompjes overleefden het bij mij niet, maar deze heb ik bij zijn start aan mijn vader gegeven omdat we een week naar Londen gingen en hij kwam thuis als The Unstoppable Bonsai. Als ik hem per ongeluk te veel of te weinig water geef doet hij zwaar geïrriteerd en beschuldigend zijn blaadjes omhoog, alsof ik hem een groot onrecht heb aangedaan, maar als het goed met hem gaat maken ze allemaal mooie vormen, dus alles bij elkaar genomen wekt hij vooral de indruk dat ik er wel voor hem moet zijn maar hem vooral niet in de weg moet zitten.

Diezelfde avond valt het kabinet. Juliette en Maya sturen betrokken verhalen over de toekomst van onze planeet, die zo prachtig zijn dat ik ze eigenlijk wil printen. Mijn moeder houdt het op: “Lullo”. Ik ben de complete chaos van de politiek helemaal zat. Mijn eigen machteloosheid incluis. Veel politici zijn verstandig en vertrekken zelf. Verlaten het zinkende schip. Dan herinner ik me weer dat wij het schip zijn. Water, ik heb water nodig. “Laten we morgen suppen” stel ik voor aan mijn vriend, die ’s nachts poedelnaakt op de bank zit voor verkoeling, waardoor er soms gegiechel opstijgt van straat.

De avond daarop drijven we op onze boards in de schemering door de Vesting, we glijden tussen de waterlelies en het wier. Mijn angst om in het water te vallen hangt meer samen met het wier dan met het water. De eerste zomer waarin we naar de Vesting waren verhuisd nam ik een frisse duik in het zoete en stroomloze water, wat heerlijk verkoelend voelde, tot er een meerkoetje voorbij zwom en ik moest giechelen. Mijn vriend komt overeind. Hij krijgt de smaak te pakken en verdwijnt bijna uit het zicht. Daar gaat mijn aanstaande man, denk ik. Tegelijkertijd vind ik het juist leuk wanneer hij zo zichzelf en jongensachtig is, getraind van het eindeloze fietsen en skaten in de straten van Arnhem (het leek hem ooit een goed idee om op glas ijs van de heuvel af naar school te fietsen, net zoals zijn broer en hij het leuk vonden om over de daken van de statige huizen te springen), waardoor hij het gepuzzel in zijn hoofd vergeet.

Het suppen valt me aanvankelijk tegen (de mensen die ik het heb zien doen staan er altijd zo zorgeloos in hun fluorescerende kleding bij); ik ben bang dat ik hiervan een grote terugval krijg en merk dat er weinig kracht in mijn armen zit. We moeten bovendien goed uitkijken voor de speedbootjes, waar gelukzalige en melige pubers inzitten. Het eerste halfuur word ik ingehaald door verschillende meerkoeten, waaronder vier donzige kuikens, die het superleuk vinden dat ik er ben en bijna op mijn board klimmen. Stoethaspel ben ik ook.

Als we de haven uit zijn begin ik mijn balans te vinden en kom ik wiebelig overeind. Je moet je evenwicht behoorlijk goed bewaren om te zorgen dat je niet ter plekke in het water kukelt. Als ik eenmaal goed sta herinner ik me dat ik jarenlang op klassiek ballet heb gezeten en een opleiding tot yogadocente heb gevolgd. Voor het eerst sinds tijden haal ik weer diep adem. Goed denk ik peddelend. Soms gaat het ook om de kunst van goed vallen.

Op dat moment weet ik nog niet dat ik over een paar jaar de boekwinkel van de VU uit zal wandelen in een bruin jack op goede sneakers, omdat ik heb gewerkt bij het Amsterdam UMC, werk voor de Ondernemingsraad van de gemeente Amsterdam en bij het Ministerie van Defensie (Papa vond dat leuk) met een glanzende Hailey Bieber huid en een strak gevormde snuit (mijn verstandskiezen hebben mijn gebit verder naar voren geduwd, in de gewaardeerde en gevreesde overbeet, waardoor mijn mond groter lijkt, tegen mijn twijfelende tandarts verkondig ik: “Het is wat het is”).

Het enige wat ik denk is: als ik val, dan val ik toch lekker.  

kort maar lang verhaal

Bericht navigatie

My Taylor top 10 of 2025 (let’s throw glitter in today’s face).
© 2026 www.juliamariakeers.nl | Theme BlogBell by Sensational Theme