Behandelplan
Terwijl mijn bloed in het lab wordt onderzocht zijn de onderzoeken naar long covid over de hele wereld in volle gang. Onderzoekers van de Stellenbosch University blijken een nieuw spoor te hebben gevonden en een nieuwe hypothese te hebben geformuleerd. De virussen zoals covid, het Epstein-Barr en influenza, kunnen in sommige gevallen schade aanbrengen aan de endotheelcellen in de bloedvaten. De beschadigde cellen komen in een soort senescente toestand terecht, noch dood noch levend. Deze zombiecellen geven constant ontstekings-en stollingssignalen af, maken het bloed stroperig, belemmeren de zuurstoftoevoer naar de spieren, de hersenen en de darmen. Ze laten moleculen los die zorgen voor de bloedklonters en stollingsafwijkingen die gevonden worden in het bloed van longcovidpatiënten, maar de spookcellen weigeren om het op te geven. Ze ‘gaslighten’ de opruimende macrofagen, de speurdiensten naar disfunctionele cellen, dat ze niet moeten worden opgegeten. Dit kan niet alleen LC verklaren maar ook ME/CVS, het slopende chronisch vermoeidheidssyndroom. Het resultaat is dat alles in het lichaam het met minder zuurstof moet doen. Wat deze roestcellen verder gratis meebrengen? Sluimerende, slapende kankercellen wakker maken. Als ik dit aan mijn man vertel krijgt hij een verbijsterde blauwe blik. “Ja echt super” zeg ik.
Stellenbosch University wil binnenkort testen of het bloed van post-covid patiënten ook senescentie veroorzaakt in laboratoriumcellen. Ze willen de zombie-endotheelcellen in de bloedvaten van patiënten opsporen. Het is mogelijk dat er allemaal endotheelcellen in mijn lichaam zitten die niet worden opgeruimd en giftige stoffen afgeven, het kan ook dat er nog virusdeeltjes in mijn lichaam zitten en mijn spierweefsel bij beweging wordt afgebroken en niet opgebouwd. Veel van de eerste LC patiënten geven aan juist nog zieker te zijn geworden nadat ze in fysiotherapie gingen: de gebruikelijke spelregels gingen niet meer voor onze lichamen op.
Dan komt het typisch Nederlandse nieuws dat de 40 miljoen euro die aan de postcovidcentra is gegeven om PAIS-infecties te onderzoeken bijna op is en er voorlopig geen van plan is om dit bedrag aan te vullen. De postcovid-expertisecentra die net zijn begonnen lopen daardoor het risico weer stil te komen liggen. De kersverse longcovid experts zullen terugkeren naar hun eigen disciplines. Zoals een arts van het Amsterdam UMC toelicht zijn er bevindingen gedaan, maar zullen die weinig waarde hebben voor long covid patiënten als ze die bevindingen niet kunnen omzetten in diagnostiek of behandelingen. In Duitsland wordt ondertussen wel een half miljard euro uitgetrokken voor onderzoek naar long covid en andere PAIS-infecties, omdat ze chronische ziekten daar wel zien als een groot gezondheidsrisico.
Als ik mocht tijdreizen verdween ik ondanks mijn dystopische, apoclyptische nachtmerries waarschijnlijk toch de toekomst in, op zoek naar een machine waarin ik zou kunnen gaan liggen zodat de verfijnde apparatuur van 2073 me van binnen weer goed kon herstellen.
Ik krijg twee keer de boodschap dat: “Het UVW het vanaf hier kan overnemen” en twee keer zit ik thuis woest op de bank: “Ik ben nog maar dertig!” Vrouwen die gevloerd bij het UWV aankloppen hebben meestal al enige staat van dienst. Ze hebben verschillende banen achter de rug en ze hebben huizen gekocht. Huizen waarin ze ruzie met hun man hebben gemaakt, kinderen hebben grootgebracht, een stuk grond tot tuin hebben gesnoeid en viervoeters hebben gedragen die zelf konden lopen. Hoewel hun situatie ook niet makkelijk is, is op bezoek bij een arbeidsdeskundige dan niet zo gek.
Veel long covid patiënten hebben voor de pandemie bewezen dat ze alle ballen tegelijkertijd in de lucht konden houden, waardoor hun chronische ziekte een weliswaar pijnlijk maar ook duidelijk contrast vormt. Het contrast met hun voormalige gezonde zelf is groot genoeg om te begrijpen dat ze (deels) arbeidsongeschikt zijn geraakt, of zou dat in ieder geval wel moeten zijn.
Wanneer ik mezelf met prille moed inschrijf bij de reuma stichting, omdat het me goed lijkt om iets voor anderen te betekenen, maar ook omdat veel mensen met chronische ziekten zo ondernemend zijn dat ze er initiatieven, groepen, coachingspraktijken en verdienmodellen aan koppelen (ik wil als ik me slecht voel eigenlijk gewoon altijd naar de film), eindigt mijn eerste intake gesprek met een medewerker die uitroept: “Jemig, terwijl je zo jong bent niet één maar twee chronische ziekten, waarvan de oorzaak compleet onbekend is!” De rest van de dag voel ik me vooral een sukkel. Mijn reuma/longcovid peut moedigt me aan om voor m’n long covid een playlist te maken waarin ik mijn schaduwwerk kan doen. Al snel bouw ik de playlist vol met de zwaar zwartgeblakerde, melodramatische filmsoundtracks van 2WEI.
Emotional Support Potatoes
Dat langdurig chronisch zieke patiënten als eenzame schipbreukelingen op onbekende eilanden terechtkomen, betekent niet dat ze geen gezelschap meer nodig hebben. In een documentaire zie ik een meisje met fibromyalgie dat graag wandelt met ezels (‘Hier word ik vrolijk van’) en een meisje met post-covid dat ervan geniet om te helpen in de egel opvang (‘Als zij het kunnen, kan ik het ook). Een meisje met ernstige long covid is ontzettend blij met haar zwarte kat. Ze hebben samen een structuur ontwikkeld. Het is mooi dat huisdieren rotsen in de branding kunnen zijn. Omdat ik ook verlangde naar emotional support potatoes, die me tijdens slechte dagen gerust konden stellen, besloten mijn man en ik een jaar geleden om twee babycavia’s bij een boerderij in Renswoude op te halen (een vriend noemde ze “twee bollies wol”) en ze Dolly & Dusty te noemen.
Dolly en Dusty zijn een gemengd ras, hun vader is een borstel (met kruinen) en hun moeder een peruvian (met lang haar). Daardoor hebben ze behoorlijk wilde vachtjes. Waar we alleen niet op hadden gerekend was dat Dolly & Dusty zelf emotional support nodig zouden hebben. Hoewel ze uit een groot, veilig nest van cavia’s komen, blijken ze compleet neurotisch te zijn. “Dit is normaal toch niet hoe cavia’s doen?” vraagt mijn man na een paar weken met een blik op de twee recalcitrante pantoffels die hun huis op de kop hebben gezet. “Nee, niet echt” zeg ik.
Ze willen niet knuffelen en ze willen niet getroeteld worden. Wat ze wel willen? Ze willen hun wilgenbal slopen, hun hooiruif omgooien en hun huisje van karton stuk knagen. Ze willen in hun hangmat en met rust gelaten worden. Hoewel ik een grote hoeveelheid groenten voor ze in huis heb gehaald, willen ze niks anders dan andijvie. Met veel pijn en moeite krijg ik ze aan de stukjes wortel en paprika, die ze half aangevroten laten liggen. Als ik Dusty oppak begint ze te gillen als een speenvarken, als ik Dolly oppak knijpt ze haar ogen samen en staart me boos aan. Als ik ze op schoot neem knagen ze aan mijn haar of trekken met hun tandjes aan mijn kleding. Het borstelen en knippen van hun vachtjes gaat gepaard met een onophoudelijke stroom van geklaag. Als ik ze hun pootje wil laten strekken met lekkers als beloning, blijven ze demonstratief zitten. Verder vinden ze het niet fijn om te worden geaaid, want doordat hun haren in kruinen alle kanten opgroeien, is het lastig om ze niet tegen de haren in te strijken.
Het enige wat Dolly en Dusty wel waarderen zijn verrassingen in hun ren: ze maken sprongetjes van vreugde als ze op ontdekkingsreis kunnen. Mijn man en ik lopen iedere week door de dierenwinkel op zoek naar nieuwe uitdagingen; nieuwe tunnels, nieuwe speeltjes en nieuw knaaggoed. Na een poos ontdek ik dat Dolly wel bij me op schoot wil als we film kijken: dan kijkt Dolly de film mee. Tenslotte zijn ze meer gesteld op mijn man – die op hun vragende en loepzuivere wheek wheek reageert met ‘Néé’. Zoals hij het op een spottende, zogenaamd pedagogische toon (hij is allergisch voor een pedagogische toon) samenvat: “hebben ze nog wat uitdagingen”.
Na een paar weken beweeg ik met de babycavia’s mee in hun belevingswereld en verscherp ik hun dagelijkse routine voor de voorspelbaarheid. Desondanks blijven ze vooral twee behoorlijk tegendraadse balls of floof. Hoewel ze redelijk wat ruimte hebben ontstaat er soms een tandenklapperfest om de hangmat en beginnen ze elkaar boven hun gedeelde bakje andijvie kopstoten te geven, als ze denken dat wij niet kijken (Mijn man: ‘Dolly dat zag ik!’). Mijn man begint te proesten als ik Dusty voor de dertiende keer op mijn schoot heb gefrommeld en ze voor de veertiende keer in mijn nek springt. Dusty vindt het zo vervelend dat ik haar warrige vachtje bijknip dat ze iets weg krijgt van een plumeau en mijn man haar Dustepluum gaat noemen. Als ik “Nou Dollsy!” roep om te verduidelijken dat Dolly echt niet zó luid hoeft te piepen verhoogt ze haar volume tot een fluit. Ik ben gek op het beeld van hun hartvormige neusjes, maar luisteren zit er voorlopig niet in.
Het enige waarvan ze wel houden is in een berg met hooi verdwijnen en muziek luisteren. Dolly reageert enthousiast pruttelend op Child in Time van Deep Purple en probeert geïntrigeerd een gesprek te voeren met Kurt Cobain tijdens zijn laatste live-optreden. Dolly wordt zo Dolls. Dusty gaat vrolijk pruttelen van 80’s muziek met synths. Uiteindelijk doop ik haar om tot Dustypunk. Als ik voor de zekerheid een gedetailleerde gebruiksaanwijzing aan mijn ouders doorbrief vraagt mijn vader: “Glaasje champagne voor ze erbij?” Nadat we de aflevering van zomergasten met Femke Halsema kijken zie ik ze rustig plat in het katoen liggen, alsof alles eigenlijk wel goed is. Tegen het einde van de aflevering liggen ze helemaal plat voor pampus. Spiegelen ze gewoon mijn eigen zenuwstelsel? Vraag ik me plotseling af.
Narratieven
Het narratief rondom chronisch zieke patiënten is altijd min of meer hetzelfde: eerst gezond, sterk en ondernemend, niks was dit mens teveel, dan worden ze op mysterieuze wijze ziek en zielig, met horkerige artsen en een late diagnose, maar altijd met het beste beentje voor, met een vogel genaamd birb, gebloemde shirts, verzachtende pasteltinten in de woonkamer (geen beige of greige, niet voor de chronisch zieken), het huis altijd keurig opgeruimd, blij met een prachtige dochter (foto van kwijlende, chagrijnige baby), het koppel kan altijd buitenaards goed communiceren (man met overhemd aan, zachte trui en een ietwat verbitterde glimlach die ik er altijd per direct van verdenk dat hij ladingen porno kijkt), de chronisch ziek patiënt vindt deze situatie vreselijk voor zijn partner, voelt zich bezwaard tegenover zijn partner. De familie steunt de patiënt liefdevol. Deze vastomlijnde narratieven zijn zo vanzelfsprekend, er is zo’n vastomlijnd PosiTieF narratief, dat die verhalen los lijken te staan van mijn situatie.
Ik lees nooit: “Mijn man en ik zaten op een zomerse dag op het terras van de witte villa met uitzicht op Arnhem en een grote bak nacho’s, we hadden op een boerderij twee babycavia’s gekocht. De cavia’s kozen chaos. Ik vroeg aan mijn man: “Wil je anders nog een vogel?” Mijn man reageerde met: “Ik wil eigenlijk liever een kind.” Ik reageerde met: “Dan moeten we nog wel voor een hoop dingen sparen”, “Ja voor luiers” “Een kinderwagen” “Voeding” “Kinderopvang” “En zomerhoedjes”. We wisselden snelle blikken terwijl we van onze Iced Tea’s dronken. “Ik weet eigenlijk helemaal niet hoe je een baby in leven moet houden of een nieuw mens moet opvoeden”. “Ik weet het ook niet, maar het merendeel van de mensheid doet het sinds mensenheugenis, dus dat gaan we dan wel zien” “Jij wordt waarschijnlijk strenger dan ik ben”, “Dat denk ik ook, als ik zie hoe je de cavia’s bij iedere wheek bedelft met andijvie”, “Ik wil het graag goed voor ze doen”, “En daar maken ze gretig gebruik van”, “Ze zijn nog klein”.
Ik lees ook nooit: “Ik hing op een zomernacht weer klaarwakker zwetend aan tafel met een gigantisch doodsbesef en gedachten aan Kate Middleton, die als jonge moeder kanker kreeg en voor het eerst weer een interview had gegeven, en ik kreeg weer die spookhoest en vroeg me af of de dood echt zo nodig is (en zo’n onlosmakelijk onderdeel van het leven moet zijn) als we altijd beweren. We vinden de dood altijd een intrinsiek gegeven dat hoort bij het leven, zolang die maar wel aan andermans deur klopt. Misschien dat die miljonairs die we nu gestoord vinden wel gelijk hebben en we in de toekomst 200 worden, of misschien hebben we onszelf voor die tijd al uitgeroeid. En toen moest ik denken aan al die Oekraïners die hun huisdieren moesten inpakken en een jongen in Gaza die in tranen vertelde dat ze zijn kat hadden vermoord en ik kon het complete onrecht daarvan door mijn bloedvaten voelen gieren terwijl het buiten niet meer afkoelde omdat we de wereld onverschillig naar de kloten helpen. Ik was hierover aan het hyperventileren en in een bewustzijnsvernauwing aan het verdwijnen tot ik ‘Hekúch-Tsjeh’ hoorde omdat Dusty moest niezen.”
Volgens mij ben ik niet de enige met deze ervaring: een chronische ziekte is in het dagelijkse leven zenuwslopend, vermoeiend, onvoorspelbaar, chaotisch, frustrerend en rommelig. Pas als mensen zich op 30 november massaal op het Malieveld in Den Haag verzamelen lijkt het erop dat de pijnlijke realiteit van het chronisch ziek zijn eindelijk onder de aandacht wordt gebracht.
Onzichtbaar ziek
Mevrouw Microclot doet inmiddels weer leuke dingen, waarmee “het tijdperk van onzichtbaar ziek zijn” officieel is begonnen. Op een vrijdagavond bezoeken we een avondvoorstelling van Jurassic World in de industriële en gigantische Pathé bioscoop in Ede. We zitten in zaal 1, in de torenhoge zaal aan de rand van de snelweg, om er naar brullende giganten te kijken. Voor de gelegenheid heb ik een mooi lichtblauw jurkje aangetrokken met hoge sandalen die mijn benen goed laten uitkomen. Met een gemiddelde bak zoute popcorn tussen ons in zinken we in onze enorme relaxed seats. Wat de filosoof Theodor Adorno hierover zou zeggen wil ik niet weten. De bioscoopzaal zit behoorlijk vol met mannen die ook weg zijn van dino’s en Scarlett Johansson. Het plot van de nieuwe Jurassic World Rebirth is slechter dan slecht maar toch word ik altijd weer gegrepen door de unheimische vallei van de verlaten eilanden met hun prehistorische gevaartes. Op een bepaald moment in de film slaat de sfeer altijd om en wil iedereen alleen nog maar ASAP weg.
Als we door de zilte zomernacht over het voormalige industrieterrein naar huis wandelen heb ik een prettige Lana Del Rey melancholie. De volgende middag, nadat we snoepstokken voor Dolly & Dusty hebben gekocht en Axolotls hebben bekeken (eentje dwarrelt in het groen, eentje zwemt als een vis, eentje lijkt in het glas te glimlachen naar zichzelf), besluiten we in de koffiecorner van het dierenwarenhuis op het industrieterrein in Ede te gaan zitten. Er staan roze schelpenstoelen en witte nepbloemen om alles wat op te fleuren. “Dit is zo volkomen pretentieloos” zegt mijn man opgewekt. We zetten onze koffie op een boomstam voor ons en becommentariëren het winkelende publiek als twee voormalig randstedelijke muppets op het balkon (mijn man heeft zich gelukkig nooit door mijn long covid uit het veld laten slaan).
Zondag zitten we bij mijn ouders in hun weelderige bloementuin in Blaricum met latte macchiato’s en citroencake. Mijn moeder houdt met mijn man één grote Microsoft Teams Moppersessie, mijn vader moppert op de recente verbouwingen in de Efteling, hij vindt het belachelijk dat Doornroosje een borstvergroting heeft gekregen. Doornroosje hadden ze toch niet hoeven te verbouwen? Ik leg aan mijn vader de proporties van de Disney prinsessen uit, hun lange halzen en hun langgerekte armen. Dat we met ze zijn opgegroeid, dat geen vrouw van vlees en bloed het in een live-action-remake ooit goed zal doen. Mijn moeder merkt vlak daarna op dat mijn mede-millennials zinnen maken als: “Sorry schat, de beelden zijn een beetje blurred”. Blurred, benadrukt mijn moeder. Dingen die ze ook graag van ons echoot zijn ‘Chill’, ‘Top’, ‘Kun je dat expliciet maken?’ en ‘Super!’ Niet veel later maken mijn vader en mijn man het handje belachelijk dat Hilter maakte als anderen de Hitlergroet naar hem deden. Mijn man laat fragmenten zien van de imitaties van Charlie Chaplin. We hebben onze buik behoorlijk vol van dictators. De whippet Lennox werpt me vanuit de schoot van mijn moeder intense glanzende blikken, met zijn hoge Egyptische bruine ogen, waarin de diepe kosmische universele waarheid van onze alles overwinnende liefde schuilt. Ik staar bezield terug in zijn betoverende blik. “Dit gaat om je citroencake” verduidelijkt mijn moeder. Om half negen ’s avonds wandelen we naar de auto met een extra tas met watermeloen (Dolly en Dusty zijn gek op watermeloen) en zwaai ik zongebruind in mijn zomerjurkje naar mijn moeder.
Als ik op een ochtend bij de tandarts verschijn en het gesprek op mijn long covid komt (mijn tandglazuur betaalde de prijs voor de hoeveelheid citrusvruchten die ik naar binnen gewerkt heb), staart hij met een verbaasd gezicht naar mijn hoge Italiaanse sandalen: “Ik hoor het best veel, maar de meesten komen hier binnen met een rolstoel of op krukken, met een zonnebril tegen licht en oordopjes tegen geluid, ze verdragen helemaal niets meer”, terwijl hij dit vertelt imiteert hij een soort stomdronken binnen zwiepende leguaan. Vergeleken daarbij ben ik meer een schildpadje, meer onzichtbaar ziek. Het enige wat ik wil doen als ik jonge mensen in een rolstoel of op de bank zie liggen is ze door elkaar schudden: YOU ARE THE STRONGEST PERSON EVER RIGHT NOW BABES!!!! Dat door elkaar schudden zou het er ook niet beter op maken. En toch wil ik niet dat ze het opgeven.
Een nagenoeg lege, altijd maar weer haperende batterij die veel aandacht vraagt, waardoor je meestal niet lekker bent en eigenlijk altijd wel met iets uit die fucking klachtenkermis zit, gooit je aan de buitenranden van het geluk en gevaarlijk dichtbij het ongeluk. Ik weet dat veel chronisch zieke patiënten aan die rand blijven bungelen om niet de diepte in te verdwijnen, dat ze niets liever willen dan zichzelf net als Lara Croft met een bijl weer op een plateau hijsen en rennen voor hun leven, zodat ze het redden uit die instortende tempel, alleen ons lichaam is die tempel en daarmee onlosmakelijk verbonden met ons leven.
Lemonade
Op een ochtend nadat mijn arts me heeft gebeld om een afstemming te maken van de dingen die we in het najaar en het voorjaar stapsgewijs kunnen gaan ondernemen, voel ik me plotseling wat veiliger. Ik heb vitamine c, vitamine d, ijzertabletten en van de slaapkliniek krijg ik nog een uitgebreider onderzoek, ’s avonds drink ik kruidenthee. Ik ga opnieuw met ergotherapie starten en ik krijg in januari een medicijn waarvan ik zou kunnen opknappen. De uitdaging voor de komende tijd is om zoveel mogelijk in het groene gebied van mijn energie te blijven, want dan kunnen ze de resultaten van de behandeling het beste zien. En of dit medicijn veel doet, weinig doet of helemaal niks doet. ‘Het is geen wondermiddel’ waarschuwde mijn arts vlug: ‘Dan hadden we het al aan iedereen gegeven’. Maar dat er een ‘uitdaging’ is gesteld stemt me wel een soort van vrolijk; het is niet meer alleen ik en m’n longcovid maar ik, de postcovidkliniek en m’n longcovid. Mijn arts zal met een andere arts overleggen of ze eventueel verder onderzoek gaan doen naar de stollingsafwijking in mijn bloed, die voorkomt bij meer post-covid patiënten maar ook bij mensen zonder post-covid.
Het opgestelde behandelplan zorgt ervoor dat ik weer aan de slag ga met een levensplanning; ik wil niet voor altijd notulist blijven maar mezelf verder ontwikkelen, ik wil de preppy truitjes en colbertjes van Saint-Tropez aan die ik vroeger droeg, ik wil meer non-fictie lezen en ik wil veel met citroenen; als ik een pastagerecht met zes citroenschillen en een uitgeknepen citroen heb gemaakt, merk ik dat er een licht in mijn buik begint te schijnen. Even ben ik een laatste zomerweekend van de kaart omdat ik me op een zondag, voor het eerst in drie jaar, zo volkomen normaal voel. Als mij man en ik over verlaten snelwegen terugrijden van het strand met verwaaid haar, zijn we volop aan het genieten van eighties muziek. Het is alsof ik even helemaal vrij heb gekregen van de vermoeidheid.
Niet veel later heb ik in Den Bosch een nieuw kookboek gevonden genaamd For The Love of Lemons van Letitia Clark, en ook de romige citroenlinguine, de meloensalade met feta en citroen, de courgette-carbonara met citroen en de spaghetti met tonijn en citroen zijn gerechten waardoor er kleine lichtbolletjes in mijn buik schijnen en ik een paar uur lang met een helder hoofd – hersenmistloos – weer gelukzalig kan zitten zijn, zoals ik vroeger ook blakend van gezondheid en gloedvol gelukkig in de tuin opgekruld kon luisteren naar de invallende nacht, met gedachten die overzichtelijk waren, het vertrouwen dat alles goed zou komen en het sprankelende gevoel dat er van alles was om mezelf op te verheugen. Mijn lichaam werd helemaal rustig van de citroengerechten en ik zag de guitige blik van mijn man, de manier waarop Dolly haar roze voetjes uitgestrekt in haar tunnel lagen en hoe Dusty gestaag een spriet hooi naar binnen werkte. Het was een helder moment waarin de chaos van mijn long covid leek weggespoeld.
Een paar weken later zitten mijn moeder en ik op een nazomerse dag in de Vesting met latte macchiato’s met mokken in aardetinten. Buiten hangt een bord met reclame voor een speciale maccha lattes, er rijden Porsches, Ferrari’s en BMW’s voorbij, we eten toasts met smashed avocado’s en gepocheerde eieren. De winkel van Denise Des Bouvrie gaat weer opheffen, wat we jammer vinden. Panden in de Vesting staan regelmatig leeg, maar de terrassen blijven goed gevuld. Mijn man en ik waren tijdens de zomers dat we hier woonden altijd oververhit en hingen ’s nachts achter de Grote Kerk in de vensterbank voor verkoeling. Ik luisterde naar de muziek van de HAIM sisters en hun stemmen klinken nog steeds door de straten. De barista vraagt met een loepzuivere en lage stem of we nog oké zijn. Ik heb de bevallingen van vriendinnen bij mijn moeder benoemd, die nogal verschillend gingen. Mijn moeder verzekert me dat ik sterk genoeg ben om een baby op de wereld te zetten, al ben ik daar zelf nog niet zo zeker van. Het meisje met twee dubbeldik getekende wenkbrauwen naast ons blaast haar rook rustig uit. Een jonge raaf hangt rond bij mijn voeten. Op de achtergrond klinkt zoals bijna altijd een bezielde George Michael uit het Vesting hotel. Zijn stem raakt vermengd met het geroezemoes om ons heen. De raaf blijft bij onze voeten drentelen. “Hij wil ook een stukkie” zegt mijn moeder. Ik gooi een stukje kokoskoek naar de jonge raaf en geeuw. Een vagelijk maar enigszins bekend, oud gevoel, wat ik eerst niet meer helemaal thuis kan brengen, overvalt me. Soms is het er op zeldzame momenten toch. Rust.
